| |
| |
|
|
| |
De Duitse
Munteenheid |
|
| |
|
|
| |
Tegenwoordig hebben de meeste Europese landen
een gezamenlijke munt, de Euro.
Maar vóór 2002 hadden de meeste landen nog een eigen munt. Zo
ook in Duitsland, waar de nationale munt de Duitse Mark (DM)
was. De afgelopen 50 jaar stond de waarde en de waardevastheid
van de DM hoog in aanzien bij andere (Europese) landen.
Dat is wel eens anders geweest. In de periode 1920-1950 is de
Duitse nationale munt 2 keer onderworpen geweest aan een zogenaamde
"herwaardering", inclusief een daarbij behorende
"naamsverandering".
Hieronder een samenvatting. |
|
| |
|
|
| |
Iedereen
kent wel de rampzalige situatie in 1923 van de hyperinflatie in
Duitsland. Binnen een jaar werd de toenmalige munt gedevalueerd
met miljoenen procenten.
De oorzaken waren veelvoudig. Duitland kon zijn buitenlandse
schulden (als gevolg van de eerste wereldoorlog) niet meer
betalen, er werd niet meer geïnvesteerd in vernieuwing,
consumenten haalden massaal hun geld van de bank omdat ze geen
vertrouwen meer hadden in de waarde ervan en er onstond een
(inefficiënte) ruilhandel.
De regering reageerde met het bijdrukken van geld dat niet werd
gedekt door enige onderliggende (goud)waarde, waardoor vraag en
aanbod totaal uit balans raakten.
Aan alles was een tekort. En dat is funest. |
|
|
 |
 |
Bij hyperinflatie,een vorm van extreme inflatie, stijgt de
geldontwaarding met meer dan 100% per dag.
Bovenstaande grafiek geeft het verloop van de inflatie van de
Duitse Mark weer van 1918-1924. |
Het gewone geld was zo snel haast niks meer waard,
dat je het beter kon gebuiken als behangpapier. |
|
|
In een dergelijke periode moet men steeds meer betalen voor
alles en nog wat.
Zo ook voor de frankering van brieven.
De volgende scan laat een aantal postzegels zien uit 1923.
Er moesten maandelijks, wekelijks en aan het einde van het jaar
zelfs dagelijks nieuwe zegels worden gedrukt.
De hoogste waarde die werd bereikt was een postzegel van 50
miljard Mark. |
|
| |
 |
|
| |
Voor de hyperinflatie van 1923 was de waarde van
de Duitse Mark gebaseerd op goudvoorraden. De mark werd
toen ook wel "Goudmark" genoemd.
Vanaf 1 december 1923 werd de mark hergewaardeerd tot de
"Rentenmark", waarbij 1 Rentenmark gelijk was aan
1.000.000.000.000 marken.
Op 30 augustus 1924 werd de mark opnieuw herbenoemd tot
"Reichsmark", waarbij 1 Rentenmark overging als 1 Reichsmark. |
|
| |

Op 1 december 1923 werden deze nieuwe postzegels uitgegeven,
gebaseerd op de Rentenmark. (Deutsches Reich, Michel 338-343)
|
|
| |
|
|
| |
Na de
tweede wereldoorlog begon het vertrouwen in de Duitse Reichsmark
(RM) toch weer danig te slijten. In zulke omstandigheden
floreren zwarte handel en ongebreidelde ruilhandel. De
marktkoopman werd liever in Amerikaanse sigaretten betaald dan
in harde pfennigen. Men zag het spook van de inflatie van 1923
al aankomen.
De regering moest wel ingrijpen. En zo gebeurde.
Op 21 juni 1948 werd in de Berlijnse bezette gebieden van
Frankrijk, de Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd
Koninkrijk en delen van het westen een nieuwe munt
geïntroduceerd: de Deutsche Mark (DM). Het in omloop
zijnde geld werd 1 op 1 omgeruild. Maar spaartegoeden moesten
het ontgelden. Voor 10 Reichsmarken werd maar 1 DM uitgekeerd;
voor hoge banksaldo's was dat nog maar 65 pfennigen voor 10 RM.
Als compensatie ontvingen alle inwoners 60 DM van de overheid
(in 2 stappen: eerst 40 DM en later nog eens 20 DM).
De Sovjets waren woedend dat zij buiten deze herwaardering waren
gehouden. Zij besloten om ook in Oost-Duitsland een nieuwe munt
in te voeren: de "Mark der DDR", in het westen de "Ostmark"
genoemd. Verder werden alle toegangswegen van en naar
Berlijn door de Russen geblokkeerd, hetgeen bekend is geworden
als "De blokkade van Berlijn".
Berlijn was alleen nog per vliegtuig te bereiken.Omdat zo
plotseling geen nieuwe postzegels ter beschikking waren werden
in allerijl een aantal prive-drukkerijen aangezocht om de nog
voorradige permanente zegels van de Geallieerde Bezettingszones
(Bizones) uit 1946 en 1947 te bedrukken met posthoorntjes.
Die drukkerijen waren gevestigd in Braunschweig, Bremen,
Dortmund, Düsseldorf, Frankfurt am Main, Hamburg, Hannover,
Karlsruhe in Beieren, Kassel, Kiel, Köln am Rhein, München,
Münster in Westfalen, , Nürnberg, Regensburg en Stuttgart.
Er waren 2 soorten opdruk: 1 rij posthoorntjes tussen guirlandes
per zegel en 4 rijen posthoorntjes per zegel |
|
| |
|
|
| |

Gewone postzegels en Zegels met opdruk van
Posthoorntjes |
 |
|
| |
De prijs
van de bedrukte zegels (catalogus Michel 36-68) bleef zoals
aangegeven op de zegels, alleen moest nu met DM worden betaald
i.p.v. RM (en dat is toch ongeveer 10x zo veel!).
Deze situatie duurde slechts tot 15 augustus 1948 toen 4 nieuwe
herdenkingspostzegels verschenen gewijd aan 700 jaar Dom van
Keulen (Michel 69-72).
En op 1 september 1948 verscheen de nieuwe serie permanente
zegels, die we nu kennen als de beroemde Boutenserie
(gebouwenserie): Mi 73-100). |
|
|

Voorzijde
|

Achterzijde
|
| |
Brief
aangetekend verstuurd op 13 september 1948 (12 uur) van Bremen
naar Barnstorf bij Bremen. Aankomst 13 september 1948 te 18.20
uur (aankomststempel achterzijde).
Brief is voorzien van 5 zwarte zegels van 2 Pfennig met 1 rij
posthoorntjes (Mi-36), 2 blauwe zegels van 20 pfennig met 4
rijen posthoorntjes (Mi-43), 1 zwarte zegel van 2 pfennig uit de
Gebouwenserie (Mi-73) en 1 oranje zegel van 8 pfennig uit de
Gebouwenserie (Mi-78). Voorbeeld van een mengfrankering (2
verschillende series). |
|
| |
Het zal duidelijk zijn dat de "posthoorntjes" vrij zeldzaam
en duur zijn, zeker op brief. Het gevolg daarvan is dat er veel
vervalsingen zijn gemaakt. Sterker nog, er zijn meer vervalste
dan echte exemplaren in omloop. Het is dan ook komisch om
eens naar de vraagprijzen voor deze zegels op veilingsites zoals
bijvoorbeeld eBay te kijken. Hele collecties worden
aangeboden voor enkele euro's, terwijl sommige losse exemplaren
een kapitaal moeten opbrengen.
Voor dure aanbiedingen is een officiële keuring dan ook ten
sterkste aan te bevelen. |
|
| |
|
|
| |
Na de
vijftiger jaren van de vorige eeuw is het mogelijk gebleken om
de inflatie van het geld, althans in de westerse wereld, binnen
de perken te houden. In 2002 werd zelfs in Europa de nieuwe Euro
ingevoerd, waardoor de economie van de deelnemende landen nog
stabieler zou moeten worden. Of de verwachtingen zullen
uitkomen is echter een kwestie van tijd. |
|
| |
A.C.Oomens (December 2010) |
|
|
|